ART‎ > ‎2018 - 2019 > ‎

RANCHO MEADOWS

DETAIL Nº 1


photos: Laure Cottin Stefanelli

"BARBARA "


paint, cardboard, and mdf


120cm (H) x 100cm (W) x 42cm (D)


2018

"BONNIE"


cast plaster, burlap, paint,

cardboard, and mdf


154cm (H) x 43cm (W) x 42cm (D)


2018

"OTHO"


cardboard and paint


193cm (H) x 80cm (W) x 53cm (D)


2018

"RANCHO MEADOWS"


2018


SCULPTURES


Thanks to Tubelight for the collaborative review

of Rancho Meadows at

Trampoline gallery in Antwerp.

(Nederlands versie; English follows below)



Tubelight ontmoet Trampoline #4: Rancho Meadows- Jorik Amit Galama


Tramaine de Senna, Rancho Meadows, 9 januari 2018, Trampoline Gallery, Antwerpen Tubelight ontmoet Trampoline


Op 7 december 2017 opende bij trampoline het project /’haɪə en (nʊ)/, een bar-setting waarbinnen een divers programma van o.a. performances, talks, screenings, solo- en groepstentoonstellingen plaatsvindt. Tijdens dit project staat het samenkomen en de gespreksvorm centraal; het kunstwerk en de dialoog rondom het presenteren en produceren ervan.


Met een aantal kunstenaars en auteurs onderzoekt Tubelight tijdens /’haɪə en (nʊ)/ wat het betekent om een ‘ontmoeting’ of ‘moment’ te recenseren. Daarbij wordt geëxperimenteerd met verschillende formats – zoals beeld, tekst of geluid – en het moment waarop de recensie wordt gemaakt. In onderstaande recensie experimenteert Jorik Amit Galama met het combineren van werkelijkheid en fictie.


I

Door een uitgevallen trein verandert Galerie trampoline voor mij in een drive-through, ik heb slechts een half uur voordat ik terug moet naar het Noorden. Bij binnenkomst drukt de galeriehouder een kleine olifant in mijn handen, een onderdeel van het werk There is an elephant in the room van Simon Wald-Lasowski. Aan de versiering te zien een souvenir uit India. Hij zegt me dat de olifant als gespreksonderwerp kan dienen wanneer ik niets weet te zeggen. Terwijl de galeriehouder met zijn gekwetter de stilte probeert te vullen, kijk ik naar de werken van Tramaine de Senna.


Op een lichtblauwe kartonnen sokkel, die is beschilderd met kronkelende donkerblauwe lijnen, staat een gipsen ornament. Het object heeft iets weg van een hoofd met een golvende lok haar. In de aangrenzende ruimte zijn, op een lage roze voet, vijf kartonnen sokkels gestapeld die zijn beschilderd met hetzelfde donkerblauw. Ten slotte is er nog een kniehoog plateau met gele en witte strepen met daarop een wolkachtige vorm met pastelkleurige verfstreken. De werken doen me in eerste instantie denken aan geknutselde en onbruikbare varianten van het design van de Memphisgroep.


Ik word aan de Senna voorgesteld en vraag haar of ze, in de twintig minuten die me nog resten, iets kan zeggen over haar werk. de Senna vertelt dat ze van Afro-Amerikaanse en Chinese komaf is en opgroeide in Vallejo, waar haar familie een zware strijd levert om het hoofd boven water te houden. Terwijl haar vader als lift- en roltrapmonteur zijn lichaam afbeulde tot hij recentelijk moest worden opgenomen in een ziekenhuis, is haar alleenstaande moeder invalide en leeft in armoede. Meerdere van hun vrienden en contacten kregen in de afgelopen jaren ernstige aandoeningen zoals kanker. Omdat ze geen verzekering kunnen bekostigen of illegaal in de Verenigde Staten werken, zijn ze veroordeeld tot ondermaatse medische zorg.


De precariteit die door deze situatie ontstaat, waardoor mensen vooral bezig zijn te overleven en minder vooruit kunnen kijken, komt ook tot uiting in de architectuur van Vallejo. In Rancho Meadows, de buurt waar de Senna opgroeide, zijn de façades van de huizen gemaakt van houten panelen, kippengaas met stucwerk en beschilderd isolatieschuim – goedkope oplossingen die de fragiele bouwsels iets van grandeur moeten geven. Dit in weerwil van het feit dat Vallejo in een aardbevingsgebied ligt en deze huizen de kleinste schok hoogstwaarschijnlijk niet zullen overleven.


II

Op de waterkant van Vallejo houd ik stil bij een schrijn. Een Mariabeeld staat in een grote schelp die haar vanaf achteren overvleugelt. Om haar heen staan plantenpotten dicht tegen elkaar aan. Een houten bord meldt: ‘vanwege veiligheidsredenen, steek alsjeblieft geen kaarsen aan! Dankjewel, Jezus en Maria.’ Ik loop naar de pier waar vissers naast bakjes met aas en emmers staan. In de emmers zitten vissen ter grote van kleine onderarmen, sommige zwemmen nog levenslustig rond, andere lijken te berusten in hun lot, of drijven met hun witte buiken naar boven. De lucht aan het einde van de pier verschiet vanaf het donkerblauwe water van lichtgrijs, naar oranje, geel, wit, blauw en eindigt in flarden paars. Op enkele eilandjes voor de kust staan witte villa’s omringd door palmbomen, een zachte housebeat rolt over de golven.


Een klein Mexicaans jongetje begint euforisch te schreeuwen. Zijn vader, een mollige man met een trucker pet, heeft een kleine zilverkleurige vis aan het uiteinde van zijn hengel hangen. De jongen springt naar de spartelende vis, die door de vader steeds net te hoog voor zijn grijpende handen wordt opgetild. Het jongetje kiest daarop een andere strategie: hij drukt zich in aanbidding tegen het been van zijn vader aan. De vader pakt de vis en trekt het haakje behendig uit de happende mond. Hij houd zijn zoon de vis voor, die hem direct stevig vastpakt als een waardevol sieraad. Met een glimlach van oor tot oor loopt hij richting het begin van de pier en zegt tegen iedereen die hij passeert: ‘mijn vader heeft deze vis gevangen’, daarbij de vis omhoog houdend als bewijs. Ik volg hem tot bij de schrijn. Hij lijkt de vis aan Maria te laten zien of Maria aan de vis, brengt de vis bij zijn lippen en fluistert iets, misschien een geheime wens of een weesgegroetje. Daarna loopt hij terug naar zijn vader, die zijn hengel alweer heeft uitgegooid.


III

Vanachter een struik in het Blue Rock Springs Park klinkt een stem. Ik steek mijn hoofd tussen de witte bloemen. Een vrouw zit in een nest van vuile dekens en plastic verpakkingen. Om haar magere pols hangen gouden armbanden die met iedere beweging rinkelen. Met de roze nepnagels van haar rechterhand pakt ze haar wang vast en trekt hem strak. Met haar linkerhand, waarvan de pink nagelloos is, prikt ze in haar huid, begint te graven, alsof er een vrucht of muntstuk in verstopt zit. Ze mompelt iets onverstaanbaars en laat haar handen in haar schoot vallen. Ze lacht haar uitgedunde gebit bloot en kijkt om zich heen. Voor een moment rust haar blik op mij. Kleine bruine ogen die lang geleden zijn weggekropen in rimpels van paarse huid. Ik glimlach en de vrouw draait zich mompelend van me af. ‘Jij zat daar maar van, kom hier Jenny! Wat doe je dan, nou goed dan, ik ben niet van ijzer… de ijzeren man, maar dichterbij, mijn god…’ ze zwijgt en krabt aan haar knieën. Ik wacht even, trek mijn hoofd uit de struik en haal een schrift tevoorschijn.


Ik was nieuw in de stad en struinde in mijn eentje over de boulevards. Het lange alleen zijn ontnam me de ongedwongenheid om een spontaan gesprek aan te gaan. Ik probeerde het wel, stelde een geïnteresseerde vraag aan de suppoost van een museum, maakte een grapje tegen de jongen van de koffiezaak. Maar ze voelden dat ik niet zomaar een antwoord wilde, dat ik een antwoord nodig had. Aandachtig begon ik te luisteren naar de vele mensen die in zichzelf praten, ging naast ze op een bankje zitten en knikte soms met mijn hoofd. In hun gebazel, gemompel en geschreeuw probeerde ik de fragmenten van een toekomstvoorspelling te horen – alsof Nostradamus op Venice Boulevard zou kunnen lopen. De rest van mijn tijd in Los Angeles besteedde ik aan het noteren van hun uitspraken in een schrift. Een paars Wallmart schrift met op de voorkant een parasol, dat ik in de tweede lade van mijn bureau heb opgeborgen.


IV

de Senna vertelt dat ze haar werk relateert aan het Japanse zeemonster Godzilla. Een bekende analyse van Godzilla is dat hij, na de vernietiging van Hiroshima en Nagasaki, de angst van Japanners voor de vernietigende kracht van de atoombom verbeelde. Het gegeven dat een trauma wordt omgezet in een groteske fantasie is wat de Senna poogt te doen met gewelddadige geschiedenissen zoals het slavernijverleden. De beeldtaal waarin ze dit uitdrukt is veelal abstract en kleurrijk; het verleden wordt met een zekere speelsheid verwerkt. Ik vraag haar of er fictieve figuren zijn waarin de bewoners van Vallejo hun trauma’s kanaliseren maar mijn alarm gaat af en ik neem afscheid.


In de trein denk ik aan Aaron, een Afro-Amerikaanse man bij wie ik enkele dagen logeerde in Chinatown. We keken elkaar maar zelden recht in de ogen, alsof we het gevaar liepen om vlam te vatten. Ondanks de ondragelijke spanning lachten we hard om elkaars grappen. Zijn warmte uitte zich in het serveren van royale porties zwartgeblakerd vlees en frisdrankglazen sterke drank. Terwijl hij whisky inschonk vertelde hij hoe Jack Daniel het stoken van whisky niet leerde van de blanke priester Dan Call maar van een van zijn slaven, Nathan ‘Nearest’ Green. ‘Hij stal het van een zwarte man en verdiende vervolgens bakken met geld.’ Ik nam een slok en voelde verdriet in mijn keel omhoog kruipen. Al een paar keer had hij iets gezegd over de miskende prestaties van Afro-Amerikanen en liet daarmee indirect zijn eigen gekwetstheid zien, alsof ik overtuigd zou moeten worden. Zwijgend keken we naar de foto’s van zijn kinderen die de bovenkant van de drankkast vulde, en waar hij liever niet over wilde praten.


Uit mijn jaszak haal ik de olifant. Hij wordt bedekt door kleine steentjes en spiegeltjes waarin mijn gezicht vervormd voorbijschiet. Ik zie de tientallen handen voor me die ergens in een fabriek dit hebbeding in elkaar hebben gezet. De handen van arbeiders met lachende gezichten, blij dat ze werk hebben. Of van moderne slaven die met wurgcontracten of fysiek geweld gedwongen worden om souvenirs in elkaar te zetten – is dit glinsterende ding in feite het product van een lijdensweg? Ik breng de olifant bij mijn lippen en fluister in zijn oor. Wanneer ik hem voor mijn gezicht houd kijken zijn smaragdgroene ogen me dof aan.


Jorik Amit Galama is schrijver en beeldend kunstenaar, in 2016 studeerde hij af aan de afdeling Beeld en Taal van de Gerrit Rietveld Academie.




Tubelight meets trampoline # 4: Rancho Meadows

- Jorik Amit Galama


Tramaine de Senna, Rancho Meadows, 9 January 2018, Trampoline Gallery, Antwerp Tubelight meets trampoline


On 7 December 2017, the trampoline opened the project / 'haɪə and (nʊ) /, a bar-setting in which a diverse program of performances, talks, screenings, solo and group exhibitions takes place. During this project, the meeting and the conversation form are central; the artwork and the dialogue surrounding its presentation and production.


With a number of artists and authors Tubelight investigates during / 'haɪə and (nʊ) / what it means to review a' meeting 'or' moment '. This involves experimenting with different formats - such as image, text or sound - and the moment at which the review is made. In the review below, Jorik Amit Galama experiments with the combination of reality and fiction.


I

Due to a lost train, Galerie trampoline is turning into a drive-through for me, I only have half an hour before I have to go back to the North. Upon entering, the gallery owner presses a small elephant in my hands, a part of the work There is an elephant in the room by Simon Wald-Lasowski. At the decoration to see a souvenir from India. He tells me that the elephant can serve as a topic of conversation when I do not know anything. While the gallery owner tries to fill the silence with his chatter, I look at the works of Tramaine de Senna.


On a light blue cardboard plinth, which is painted with winding dark blue lines, there is a plaster ornament. The object looks a bit like a head with a wavy strand of hair. In the adjacent room, on a low pink base, five cardboard plinths have been stacked, painted with the same dark blue. Finally, there is a knee-high plateau with yellow and white stripes with a cloud-like shape with pastel-colored paint strokes. The works remind me in the first instance of tinkered and unusable variants of the design of the Memphis group.


I am introduced to de Senna and ask her if she can say something about her work in the twenty minutes that remain. de Senna says she is of African American and Chinese descent and grew up in Vallejo, where her family is struggling to keep their heads above water. While her father, as a lift and escalator, covered his body until he had to be admitted to a hospital recently, her single mother is disabled and lives in poverty. Several of their friends and contacts have experienced serious conditions such as cancer in recent years. Because they can not afford insurance or work illegally in the United States, they are condemned to poor medical care.


The precarity that arises from this situation, as a result of which people are mainly engaged in survival and less able to look ahead, is also reflected in the architecture of Vallejo. In Rancho Meadows, the neighborhood where de Senna grew up, the façades of the houses are made of wooden panels, chicken wire with stucco and painted insulation foam - cheap solutions that give the fragile structures something of grandeur. This is in spite of the fact that Vallejo is located in an earthquake zone and these houses will most likely not survive the smallest shock.


II

On the waterfront of Vallejo I stop at a shrine. A statue of the Virgin Mary stands in a large shell that outstrips her from behind. Plant pots are close to each other around her. A wooden sign says: "For safety reasons, please do not light candles! Thank you, Jesus and Mary. "I walk to the pier where fishermen stand next to bowls of bait and buckets. In the buckets are large fish for small forearms, some are still swimming around, others seem to resign themselves, or float with their white bellies upwards. The air at the end of the pier is from the dark blue water of light gray, to orange, yellow, white, blue and ends in shreds of purple. On some islands off the coast there are white villas surrounded by palm trees, a soft house beat rolls over the waves.


A small Mexican boy begins to scream euphorically. His father, a chubby man with a trucker cap, has a small silver colored fish hanging on the end of his rod. The boy jumps to the thrashing fish, which is always lifted up too high for his gripping hands by the father. The boy chooses a different strategy: he presses himself into adoration against his father's leg. The father grabs the fish and pulls the hook out of the mouth. He gives his son the fish, which immediately grabs him firmly as a valuable piece of jewelery. With a smile from ear to ear he walks towards the beginning of the pier and says to everyone he passes: 'my father caught this fish', keeping the fish up as proof. I follow him to the shrine. He seems to show the fish to Mary or Maria to the fish, brings the fish to his lips and whispers something, maybe a secret wish or an orphan's gum. Then he walks back to his father, who has already thrown out his fishing rod.


III

A voice sounds from behind a shrub in the Blue Rock Springs Park. I put my head between the white flowers. A woman is sitting in a nest of dirty blankets and plastic packaging. Gold bracelets hang around her thin wrist and ring with every movement. With the pink fake nails of her right hand, she grasps her cheek and pulls it tight. With her left hand, whose little finger is nailless, she pricks her skin, starts digging, as if a fruit or coin is hidden. She murmurs something unintelligible and drops her hands into her lap. She laughs at her thinned teeth and looks around. For a moment her eyes rest on me. Small brown eyes that have long since crept away in wrinkles of purple skin. I smile and the woman turns away from me muttering. "You were just there, come here Jenny! What are you doing, well then, I am not of iron ... the iron man, but closer, my god ... "she is silent and scratches her knees. I wait a moment, pull my head out of the bush and get a notebook out.


I was new to the city and on my own I walked over the boulevards. The longness of being alone deprived me of the ease of entering into a spontaneous conversation. I tried it, asked an interested question to the attendant of a museum, jokingly against the boy from the coffee shop. But they felt that I did not just want an answer, that I needed an answer. I listened attentively to the many people who talked to themselves, sat down on a bench next to them and sometimes nodded my head. In their drivel, murmur and shouting I tried to hear the fragments of a future prediction - as if Nostradamus could walk on Venice Boulevard. The rest of my time in Los Angeles I spent writing down their statements in a script. A purple Wallmart script with a parasol on the front, which I put away in the second drawer of my desk.


IV

de Senna tells that she relates her work to the Japanese sea monster Godzilla. A well-known analysis of Godzilla is that, after the destruction of Hiroshima and Nagasaki, he portrayed the fear of the Japanese for the destructive power of the atomic bomb. The fact that a trauma is converted into a grotesque fantasy is what de Senna attempts to do with violent histories such as the history of slavery. The visual language in which she expresses this is often abstract and colorful; the past is processed with a certain playfulness. I ask her if there are fictional figures in which the residents of Vallejo channel their traumas but my alarm goes off and I say goodbye.


In the train I think of Aaron, an African-American man with whom I stayed a few days in a Chinatown nearby. We rarely looked straight into each other's eyes, as if we were in danger of catching fire. Despite the unbearable tension we laughed hard at each other's jokes. His warmth manifested itself in the serving of generous portions of blackened meat and soft drink glasses of liquor. Whilst he poured whiskey, he told how Jack Daniel did not learn the burning of whiskey from the white priest Dan Call but from one of his slaves, Nathan 'Nearest' Green. "He stole it from a black man and then earned baking with money." I took a sip and felt grief crawling up my throat. Already a few times he had said something about the unsung performances of African-Americans and indirectly showed his own hurt, as if I should be convinced. Silently we looked at the pictures of his children who filled the top of the liquor cabinet, and where he would rather not talk about.


I get the elephant from my coat pocket. He is covered by small pebbles and mirrors in which my face is distorted. I see the dozens of hands in front of me that have assembled this gadget somewhere in a factory. The hands of workers with smiling faces, happy that they have work. Or of modern slaves who are forced to assemble souvenirs with strangulation contracts or physical violence - is this shimmering thing actually the product of an agony? I bring the elephant to my lips and whisper in his ear. When I hold him in front of my face, his emerald green eyes are dull.


Jorik Amit Galama is a writer and visual artist; in 2016 he graduated from the Department of Image and Language at the Gerrit Rietveld Academie.



PROCESS:

Amit Galama, Jorik. "Tubelight ontmoet trampoline #4: Rancho Meadows." Tubelight, 8 February 2018 http://www.tubelight.nl/tubelight-ontmoet-trampoline-4-rancho-meadows/.